< Vis van de maand

Anomalochromis thomas

Systematiek:

Een dwergcichlide die in 1915 beschreven werd door G.A. Boulenger de soort als Paratilapia thomasi. De soortnaam verwijst naar de ontdekker van de soort N.W. Thomas. In 1922 plaatste C.T. Regan de soort in het genus Pelmatochromis. Tot 1968 bleef het rustig binnen de systematiek der Pelmatochromis-soorten. Eén van de soorten waarmee men geen raad wist was Pelmatochromis thomasi. Sommige vooraanstaande ichthyologen meenden dat de soort eerder verwantschappen vertoonde met Hemichromis, dan met Pelmatochromis. In 1985 lost P.H. Greenwood het raadsel op en beschrijft voor de soort een nieuw genus met name Anomalochromis. Anomalochromis komt uit het Grieks en betekend buitengewone vis.

.

Verspreiding:

De soort is terug te vinden in kustrivieren en beken in het regenwoud van zuidelijk Guinea en
Sierra Leone tot noordelijk en westelijk Liberia. De kleine riviertjes die door de woudgebieden
stromen worden meestal overschaduwd door boom- en struikgewas.


Uitzicht:

Grootte: de mannetjes worden ongeveer 8 cm, de vrouwtjes blijven ongeveer 2 cm kleiner.
Lichaamsvorm: vrij hoog lichaam dat zijdelings matig samengedrukt is.
Kleur en tekening: grijsbeige grondkleur met lichtere buikpartij. Op de flanken zijn een tiental lengterijen van blauwiriserende stipjes. Meestal zijn drie donkere vlekken op het lichaam aanwezig, de eerste op de rand van het kieuwdeksel, de tweede halverwege de flanken en de laatste op de staartwortel. Als de dieren zich niet op hun gemak voelen verdwijnen de vlekken op de flanken om plaats te maken voor een zestal donkere verticale
banden. De rugvin heeft een rode rand.

Geslachtsonderscheid:

Niet zo eenvoudig vast te stellen, afgezien van een eventueel grootteverschil. Bij het mannetje
groeien de rug- en aarsvin iets langer uit.

Kweek:

Anomalochromis thomasi een substraatbroeder van het open water. De eieren worden op een ronde kei of op een ander glad substraat zoals kienhout of bladeren afgezet. Een bak van 80 x 40 x 40 cm kan volstaan en het samenzetten met enkele kleine visjes bevordert het natuurlijke beschermingsgedrag tijdens de periode van de kweek. Het voortplantingsgedrag is dat van een ouderfamilie, waarbij beide partners zich afwisselend om de eieren en het jongbroed bekommeren. Het totale legsel kan enkele honderden eieren bevatten, die na ongeveer 48 u uitkomen. Na het uitkomen worden de jongen in een door het mannetje voorbereide kuil ondergebracht. Wanneer de jongen enkele dagen later onder begeleiding van de ouderdieren beginnen rond te zwemmen kan men best stofvoer en pas ontloken Artemia-naupliën beginnen te voeren. Het jongbroed groeit de eerste twee maanden vrij snel, waarna een schijnbare groeistilstand van enkele weken optreedt. Na een 4-tal maanden zijn ze ongeveer 4 cm groot en enkele maanden later bereiken ze de geslachtsrijpheid. Bij nog "onervaren" jonge koppels kan het voorkomen dat de broedzorg misloopt tijdens de eerste afzettingen.

Water:

De samenstelling van het water in de natuurlijke biotopen kan wel enkele verschillen vertonen maar is meestal toch lichtzuur (pH juist onder 7) en een carbonaathardheid van 3 à 5 KH. In gevangenschap voldoet neutraal tot lichtzuur water. Tijdens de kweek is het best de temperatuur tot 27° C. te verhogen. Anders kan 24°-25° C. volstaan.

Voeding:

Alle soorten levend, diepvries- en droogvoer, dat niet te groot mag zijn voor de kleine bekjes. Ook plantaardige bijvoeding wordt op prijs gesteld.

Gedragingen:

Anomalochromis thomasi is een vrij rustige soort die eerder schuw kan genoemd worden. In de paartijd bakent hij, als een echte substraatbroeder zijn broedterritorium af waaruit ook grotere indringers worden verjaagd Aquariuminrichting: Een niet te klein aquarium (vanaf 80 cm ), met een decor van enkele rolkeien, veel Kienhout en beplanting, zeker drijfplanten want die geven de dieren de nodige schaduw die rust bied. Enkele kleine West-Afrikaanse cichliden en enkele zalmpjes als gezelschap zijn aan te bevelen.

Aquariuminrichting:

Een niet te klein aquarium (vanaf 80 cm ), met een decor van enkele rolkeien, veel Kienhout en beplanting, zeker drijfplanten want die geven de dieren de nodige schaduw die rust bied. Enkele kleine West-Afrikaanse cichliden en enkele zalmpjes als gezelschap zijn aan te bevelen.