< Home

De Tuinvijver

 

Luc DIOPERE – Skalaar Torhout vzw
Skalaar serveert  u een uitgebreide vijverstudie die zowel voor de beginnende als de gevorderde vijveraar een praktische leidraad wil zijn. Het artikel behandelt vooral de verschillende vijvertypes en hun specifieke eisen. De vijverliefhebber vindt er echter ook heel wat tips en weetjes in terug. Kortom: een klare kijk op helder water!

Vijverzones| Systemen| Filters| Vijvertypes| Inhoud |

1. De verschillende zone’s in een vijver

Ieder levend plantaardig of dierlijk organisme binnen het vijverbiotoop voelt zich het best thuis op een welbepaalde plaats. Als wij een kans willen geven aan deze organismen, dan is het belangrijk deze plaatsen te creëren in onze vijver. Zo is het onder meer noodzakelijk om verschillende dieptes te voorzien:

  • het oevergedeelte;

  • het moeras;

  • een zone met een diepte van ongeveer 60 cm;

  • de diepe zone variërend van 80 cm tot een diepte van 200 cm.

Als wij spreken over dieptes dan bedoelen wij de diepte gemeten vanaf de aanzet van de planten. Met andere woorden: de dikte van de vijverbodem wordt daarin niet meegerekend. In het geval men werkt met plantcontainers nemen wij de diepte vanaf de bovenzijde van de vijvermanden.

1.1 De diepe zone

De diepe zone is vooral belangrijk om extreem lage en hoge temperaturen te overbruggen. Als het in de winter streng gaat vriezen, dan wordt het voor alle levende plantaardige en dierlijke organismen ontzettend moeilijk. Al deze organismen kunnen moeilijk overleven in diepgevroren toestand. In de diepe zone zal de water--temperatuur altijd positief en min of meer stabiel zijn. Vissen, amfibieën en insectenlarven doen hun winterslaap op de bodem van de vijver tussen het slib of plantenmateriaal. Niet alle amfibieën overwinteren in de vijver, maar straks in de rubriek dieren gaan wij daar dieper op in. Ook planten hebben systemen ontwikkeld om de dikke ijskorst te mijden in de winter. Wij bekijken dit in de rubriek planten.

Anderzijds zijn er de extreem hoge temperaturen in de zomer. Als wij de vijver over zijn volledige oppervlakte te ondiep maken, dan zal in warmere periodes de temperatuur van het vijverwater te sterk omhoog gaan. Het warme water is zuurstofarm. Iedereen kent wellicht de beelden van brandweerlui die rivieren besproeien om het zuurstofgehalte in het water te verhogen ten gunste van vissen en dit om massale sterfte te vermijden. Dat gevaar bestaat ook in onze vijver. Niet alleen de dierlijke organismen hebben nood aan zuurstofrijk water, ook voor de planten is dit zo. Ondiepe vijvers krijgen in de zomer last van algenplagen, terwijl de planten het niet goed doen. Algen zijn immers primaire planten en sommige soorten kunnen perfect gedijen in zuurstofarm water.

Welke diepte is nodig?

De ervaring leert mij dat één meter goed is. Een diepte van twee meter hoeft enkel wanneer men beslist om koi te houden (zie rubriek Koivijvers). Let wel: op een diepte van twee meter zullen slechts weinig planten groeien. Hoe dieper het water, hoe meer licht geabsorbeerd wordt. Gezien de planten dat licht nodig hebben voor de fotosynthesewerking, zullen planten vanaf een bepaalde diepte te weinig licht ontvangen om nog te kunnen groeien. Ook algen ontvangen op deze dieptes te weinig licht. Een diepe vijver is meteen een eerste wapen in de strijd tegen algen. Zorg er dan wel voor dat het water circuleert, zodat het water van de diepere zones overal verspreid wordt. Een lichte waterstroming is altijd goed! Aan de oppervlakte wordt zuurstof opgenomen en zo krijgen wij zuurstofrijk water, wat heel belangrijk is.

1.2 Zone met een diepte van 60 cm

Te diep water is nefast voor de fotosynthesewerking van planten. Ook bepaalde dieren houden van een iets mindere waterdiepte. Vandaar de keuze om een diepte te creëren van ongeveer 60 cm. Veel wortelende echte waterplanten zullen in deze zone goed gedijen. Waterlelies, kaapse waterlelie, watergentiaan, enz. zijn enkele soorten die hier thuishoren.

1.3 Het moerasgedeelte

Het moerasgedeelte is zeer belangrijk! Toch stellen wij al te veel vast dat er te weinig ruimte voorzien wordt voor dit deel. Het moerasgedeelte heeft een zeer grote filtercapaciteit en het is bovendien de kraamkliniek voor de dierlijke organismen. Er bestaat bovenal een enorme verscheidenheid aan planten die thuishoren in dit deel van de vijver. Zorg ervoor dat de watercirculatie door de vijver ook door het moerasgedeelte passeert.

Het jongbroed van onze vissen, amfibieën, insectenlarven, enz. vinden in het ondiepe moeras een goede bescherming tegen rovers. Grotere vissen kunnen immers moeilijk manoeuvreren in dit deel van de vijver. Het water is er ook warmer en daar profiteert het jongbroed van om sneller te groeien.

1.4 De oeverrand

De oeverrand van onze vijver is een zeer delicate plaats. Meestal zullen wij gebruik maken van folies, polyester, enz. om onze vijver waterdicht te maken. Deze kunststoffen zijn zeer onnatuurlijk en wij moeten dan ook vermijden dat deze zichtbaar worden aan de rand van de vijver. Het is derhalve zeer belangrijk om veel aandacht te schenken aan de afwerking van de vijverrand. Bovendien zijn er een aantal planten die er van houden om met de wortels in een zeer vochtige bodem te staan, maar met de aanzet van de plant boven het water. In dat opzicht is de oever de meest geschikte plaats.

Let erop dat de beplanting rond de vijver in overeenstemming is met de vijver. Als wij de juiste keuze maken, dan kan deze beplanting een verruimend effect bezorgen ten aanzien van de vijver. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om op de rand van een vijver Tagetes (de zogenaamde ‘stinkertjes’) te plaatsen.

De oeverrand moet perfect waterpas gemaakt worden. Als men dat niet goed verzorgt, zal bij het vullen van de vijver het water op de laagste plaats al overlopen, terwijl men op de hoogste plaats nog volop zicht heeft op het waterdichtingsmateriaal. Dat is esthetisch niet verantwoord!

2. Biologische systemen

2.1 Fotosyntheseproces

De fotosynthese is wellicht het belangrijkste proces voor de groei van onze vijverplanten. Wij weten dat planten de mogelijkheid hebben om met behulp van energie en CO2, glucose te vormen. Glucose is de bouwsteen van de plant. De energie is niets anders dan het zonlicht. Het is duidelijk dat onze planten behoefte hebben aan zonlicht en aan CO2. Als één van de twee ontbreken dan kunnen onze planten niet groeien.

2.1.1 Zonlicht

Hoe meer zonlicht een plant ontvangt, des te intenser zal de fotosynthesewerking binnen deze planten plaatsgrijpen. Sommige mensen beweren dat een vijver het best in de schaduw geplaatst wordt. Een totaal verkeerde bewering, zoveel is duidelijk. Men bedoelt eigenlijk dat als men een vijver in de schaduw bouwt, men minder problemen krijgt met algvorming. Dat is een juiste bewering, aangezien algen ook een fotosynthesewerking hebben. Sommige algen doen dit op basis van CO2 zoals planten, andere doen dit met behulp van H2S (blauwe groene alg). Bij een vijver in de schaduw ontvangen de algen te weinig licht om goed te kunnen groeien, maar dat geldt ook voor de planten. Te weinig licht betekent te weinig fotosynthesewerking, te weinig glucosevoming (de bouwstenen van de plant) en dus te weinig plantengroei. Ik ben er dus 100% van overtuigd dat een vijver veel zonlicht moet ontvangen!!! Algenbestrijding door een vijver in de schaduw te plaatsen, is een totaal verkeerde keuze.

2.1.2 Koolstofdioxide (C02)

Koolstofdioxide is een gas dat moeilijk oplosbaar is in water. De hoeveelheid opgeloste CO2 is steeds te laag in het water om het fotosyntheseproces ideaal te laten functioneren. De volledig ondergedoken waterplanten hebben dus altijd een tekort aan CO2. Nu is het wel zo dat de meeste planten boven het wateroppervlak uitgroeien. In de lucht is er wel voldoende CO2. Het tekort beperkt zich dus tot de groep van de volledig ondergedoken waterplanten.

Het is zo dat planten hun behoefte aan CO2 ook nog kunnen vervullen via andere bronnen dan het zogenaamde vrije CO2. Daarom gaan wij eerst wat dieper in op het begrip waterhardheid.

De hardheid van het water is een maat voor de hoeveelheid opgeloste zouten in het water. Wij hebben de globale hardheid en de carbonaathardheid. De carbonaathardheid is een maat voor de hoeveelheid opgeloste bicarbonaationen. De scheikundige formule van het bicarbonaat-ion is HCO3-. Men ziet in dit symbool wel degelijk een deel dat gelijkt op CO2 en dat is ook zo. De plant kan met behulp van een kleine dosis energie de CO2 ontrekken aan dat ion. Als wij dus over water beschikken met een zekere carbonaathardheid, dan impliceert dat meteen een bron van CO2. Het stadswater uit openbare netten wordt geprepareerd in zuiveringsstations. Daar voegt men aan het water onder andere het bicarbonaat-ion toe met de bedoeling het waterleidingssysteem te beschermen. Immers: het bicarbonaat-ion heeft een PH-neutraliserende capaciteit. Anders gezegd: de pH evolueert naar neutraal, namelijk zeven. In dat geval worden de leidingen veel minder aangetast.

Dit wil niet zeggen dat wij onze vijver moeten voeden met zuiver stadswater. Neen, een te grote carbonaathardheid is al even nefast als een te kleine. Het is derhalve ontzettend belangrijk om de waterhardheid en meer specifiek de carbonaathardheid van het water te controleren en te corrigeren tot een ideale carbonaathardheid van ongeveer 5 à 8 dH.

2.2 De stikstofkringloop

Alle dierlijke bewoners van de vijver, alsook bezoekende vogels, produceren uitwerpselen. Meestal voederen wij onze vissen teveel. In het najaar sterven de planten af. De bladeren van de omliggende bomen vallen in de vijver. Dit zijn allemaal bronnen van afval.

Dit afval wordt via de tussenfasen ammonium, ammoniak, nitriet, omgezet in het eindproduct nitraat.

Deze omzetting gebeurt door zuurstofminnende bacteriën. Ammonium, ammoniak en nitriet zijn zeer giftige stoffen. De concentratie ervan moet zo laag mogelijk blijven. Nitraat is veel minder schadelijk, maar het is wel een meststof voor planten en algen. Omwille van dit laatste, de algen, moeten wij ook de concentratie van nitraat beperken.

Hoe kunnen wij de concentraties beperken?

2.2.1 Beperken van het afval

Wij kunnen vooreerst de afvalproductie zo klein mogelijk houden. Wij beperken het aantal vissen in verhouding tot het volume van onze vijver. We zorgen ervoor dat we niet teveel voederen. In het najaar spannen wij een net over de vijver om de vallende bladeren op te vangen en wij verwijderen zoveel mogelijk afstervende plantendelen. Minder afval betekent uiteindelijk minder nitraat.

Vooral in het vroege voorjaar heeft de vijver duidelijk last van algen. Dat is heel simpel te verklaren. In het najaar is er in de vijver veel afval door bladval en stervende planten. Het nitraat dat daaruit ontstaat wordt niet meer opgebruikt door de planten. In het voorjaar zijn het de algen die als eerste reageren op de naderende lente. Het zijn immers primaire planten, die weinig eisend zijn. Daardoor ontstaat soms een explosie van algen. Een grote schoonmaakbeurt in het najaar is derhalve zeer belangrijk.

2.2.2 Beplanting

Het is ook zeer belangrijk om de vijver weelderig te beplanten! Planten nemen immers nitraat op. Al het opgenomen nitraat kan niet meer ten gunste vallen van de algen.

2.2.3 Filters

Wat is uiteindelijk de functie van een filter?

Wij onderscheiden twee groepen: mechanische en biologische filters.

2.2.3.1 Mechanische filters

Bij dit type van filter wordt het afval verwijderd nog voor de omzetting tot nitraat. Een goed voorbeeld daarvan is een vortex. Het water wordt door een cycloon gestuurd. Het afval verzamelt zich onder aan de kegelvormige cycloon. Dagelijks laat men een deel water wegvloeien aan de onderzijde en meteen wordt ook het afval verwijderd. Overigens zal men de vijver terug bijvullen met nitraatvrij water. Daardoor vermindert meteen ook de concentratie aan nitraat.

2.2.3.2 Biologische filters

Een biologisch filter is niets anders dan een goede huisvesting voor aërobe bacteriën. Het zijn deze bacteriën die het afval omzetten naar nitraat. Daar de tussenfasen zeer giftig zijn, hebben wij er alle belang bij om deze omzetting zo vlug mogelijk te verwezenlijken. Met andere woorden: wij hebben nood aan een grote hoeveelheid bacteriën.

Er zijn twee essentiële voorwaarden voor een goede biologische filter. Er moet veel oppervlakte zijn om zoveel mogelijk bacteriën te huisvesten en het water moet zuurstofrijk zijn, daar de bacteriën zuurstofbehoevend zijn. Hoe men dat doet en met welke materialen is niet zo belangrijk. Zo maakte men vroeger eerder gebruik van lava- en argexkorrels. Ingevolge de grote hoeveelheid poriën was de ontwikkelde oppervlakte zeer groot. Men stelde evenwel vast dat de afgestorven bacteriën niet wegspoelden, met als gevolg dat het filtersubstraat na korte tijd vervuilde. De nieuwe bacteriën nestelen zich moeilijk op de afgestorven specimen. Daarom is men een beetje afgestapt van het gebruik van dergelijke materialen. Men gebruikt nu eerder glad materiaal met een relatief grote oppervlakte. De dode bacteriën spoelen gemakkelijk weg en maken plaats voor nieuwe. Borstels zijn daar een goed voorbeeld van, even als de bio-ballen.

3. Verschillende vijvertypes

In functie van de vormgeving, de bouw, de afmetingen en de inhoud kan men verschillende vijvertypes onderscheiden.

3.1 Vormgeving en Bouw

3.1.1 Natuurlijke vijver

Men maakt geen gebruik van kunstmaterialen of beton om de waterdichtheid van een natuurlijke vijver te bewerkstelligen. In het slechtste geval gebruiken wij klei als verdichting voor de vijver. Deze vijver kan slechts toegepast worden als wij beschikken over kleirijke bodem en als het grondwaterpeil voldoende hoog is. Men kan eventueel overwegen om in een zanderige bodem op een eerder kunstmatige manier klei aan te brengen om de vijver te verdichten. Men moet er in dat geval rekening mee houden dat als het waterpeil in de zomermaanden in een dergelijke vijver zakt, dat dan de kleilaag zal uitdrogen en barsten. Deze brasten gaan dan nog moeilijk dicht. Ook de wortels van planten zullen de kleilaag perforeren. Deze twee aspecten zullen er voor zorgen dat de vijver zijn water verliest. Het is derhalve ontzettend moeilijk om een natuurlijke vijver te creëren in een zanderige bodem.

De voordelen van natuurlijke vijvers:

  • 1.        Geen kosten voor folies, polyester,…;
  • 2.        De klei bevat veel mineralen, wat resulteert in een weelderige plantengroei.

De nadelen van natuurlijke vijvers:

  • 1.        De klei is zeer fijn. Bodembezoekende vissen zullen de fijne klei laten opwarrelen en het water wordt aldus troebel;
  • 2.        In bepaalde omstandigheden kan de vijver water verliezen.

3.1.2 Folievijver

Men kan gebruik maken van een viertal verschillende soorten materialen: PVC (polyvinylchloride), PE (polyethyleen), Butyl-rubber en EPDM-polymeer (ethyleen, propyleen, dieen, monomeer). Butyl en PE worden nog maar weinig gebruikt.

3.1.2.1 PVC-folie

PVC is opgebouwd rond koolstofatomen.

Koolstofatomen hebben een valentie van 4, d.w.z. dat andere atomen op 4 plaatsen een verbinding kunnen tot stand brengen met het koolstofatoom om een evenwaardige verbinding te vormen. Daarbij is het mogelijk om verschillende koolstofatomen aan elkaar te verbinden. Wanneer op die manier enkele duizenden koolstofatomen aan elkaar verbonden worden, spreekt men van hoogpolymeren. PVC is opgebouwd uit hoogpolymeren met chlooratomen (Cl) PVC is normaal een hard materiaal. Om het materiaal zacht te maken, plaatst men tussen de hoogpolymeren weekmakers. Nadeel van deze weekmakers is dat ze na verloop van tijd verdwijnen uit de structuur. De PVC-folie wordt dan definitief hard en broos. Merk op dat PVC-folie enkel zacht is bij warme omgevingstemperaturen.

PVC is een plastomeer met volgende eigenschappen:

  • 1.        Het verweekt geleidelijk en gelijkmatig bij temperatuursverhoging (smeltbaar);
  • 2.        Het wordt toenemend harder en brozer bij afkoeling (verstijven);
  • 3.        Het verweekt door oplosmiddelen (oplosbaar tot aan vloeibaarheid);
  • 4.        De elasticiteit is laag;
  • 5.        Wanneer het materiaal uitge-rokken wordt, kunnen de moleculenkettingen over elkaar glijden met als resultaat een blijvende vervorming. De term plastomeer heeft betrekking op deze laatste eigenschap; PVC is dus plastisch.

3.1.2.2 EPDM-polymeer

Ook EPDM is opgebouwd uit hoogpolymeren van koolstof. Er zijn drie duidelijke verschillen die maken dat EPDM een beter materiaal is dan PVC als verdichtingmaterie voor onze vijver. Een eerste verschil is dat de verzadigde kettingen van koolstofatomen in de dwarsrichting verbonden zijn door onverzadigde dieenmoleculen en zwavelatomen. Er is als het ware een wapeningsstructuur in de twee richtingen. De kettingen kunnen bij rek niet verschuiven over elkaar en er is aldus geen blijvende vervorming. Een tweede verschil is dat er geen weekmakers gebruikt worden. Het materiaal is altijd soepel, ook bij lage omgevingstemperaturen. Het ontbreken ervan impliceert ook dat er geen kunnen verdwijnen. Het materiaal blijft derhalve na verloop van tijd nog altijd soepel. Een derde verschil is dat het materiaal opgebouwd is uit verzadigde koolstofkettingen in tegenstelling tot PVC. Onverzadigde kettingen zijn minder stabiel en kunnen onder invloed van o.a. UV-stralen degenereren. Bijgevolg is EPDM goed bestand is tegen blootstelling aan het zonlicht.

EPDM is een elastomeer met volgende eigenschappen:

  • 1.        Bij opwarmen kan het materiaal niet smelten maar enkel vanaf een bepaalde temperatuur verbranden.
  • 2.        Bij lage temperatuur blijft het materiaal soepel, zelfs bij extreem lage temperaturen.
  • 3.        Het kan niet opgelost worden door oplosmiddelen.
  • 4.        Het heeft een zeer hoge elasticiteit in een breed temperatuurgebied. Het vertoont geen blijvende vervorming na rek.

Grotere stukken worden in de fabriek aan elkaar gevulkaniseerd. Op de werf worden ze aan elkaar gekleefd door middel van lijm of een tape.

3.1.2.3 Plaatsingsmodaliteiten

Om ervoor te zorgen dat scherpe voorwerpen uit de ondergrond de folie niet beschadigen, plaatst men het best onder de folie een beschermlaag. Deze kan bestaan uit oud tapijt, geluidsisolatiematten of zelfs een laag zuiver zand.

Daarop plaatst men de folie. PVC-folie kan men enkel verwerken op warmere dagen, voor EPDM speelt dat geen rol.

Daarna vult men de vijver met water nog voor men de rand afwerkt. Immers de folie moet zich nog kunnen zetten. Overigens vormt het wateroppervlak een perfect horizontaal vlak en kan men zich daarop baserend de rand perfect horizontaal afwerken, wat zeer belangrijk is.

Het is bovendien ook zeer belangrijk dat men in het eindresultaat onder geen enkele omstandigheid ergens de folie kan zien, want dat is en blijft een uiterst onnatuurlijk materiaal.

3.1.2.4 Enkele afwerkingprincipes van de vijverrand

3.1.2.4.1 Afwerking met drainagebuis

De drainagebuis creëert een perfect egale afronding voor de vijverfolie. Groot nadeel van dit systeem is dat de folie bij het ontbreken van een oeverrandbeplanting toch nog zichtbaar is. Wij moeten derhalve de rand volledig beplanten. Planten die hiervoor in aanmerking komen zijn penningkruid, vinca, rodgersia, astilbesoorten, enz.

3.1.2.4.2 Moerasrand

We maken dat de folie ongeveer 10 à 20 cm onder het wateroppervlak terug omlaaggeplooid wordt om dan ongeveer een halve meter verder definitief boven het maaiveld te arriveren. Op die manier creëren we een moeras- of oevergedeelte dat wij volledig kunnen beplanten. Aan de zijde waar men de vijver observeert, plaatsen wij laaggroeiende moeras- of oeverplanten. Anders kunnen wij hoger groeiende exemplaren gebruiken. Wij hebben twee afwerkingmodaliteiten. In een eerste geval is de moeraszone van min twintig centimeter schuin uitgewerkt tot het niveau van het maaiveld. In het tweede geval is de rand afgewerkt met stenen en hebben wij een volledig droge oeverrand gecreëerd. De stenen die wij verwerken moeten zo natuurlijk mogelijk overkomen. Stenen van gelijke grootte zijn niet toegelaten. Dat is te kunstmatig. Ook stenen met een zeer onnatuurlijke vorm zijn te mijden. Mijn voorkeur gaat naar rolkeien van verschillende groottes. Ronde keien zijn geërodeerde rotsstukken. Deze erosie is gebeurd in rivieren, vandaar de rechtstreekse link met het water.

3.1.2.4.3 Afwerking met tropisch hout

Men kan de folie ook verbergen tussen twee planken.

3.1.2.4.4. Natuurlijk ogende vijver met folieafwerking

Hier wordt een put gegraven groter dan de uiteindelijke vijver. Vervolgens wordt deze put afgewerkt met folie. De vijver wordt dan gedeeltelijk weer opgevuld, zowel op de bodem als op de randen. Op die manier is de folie nergens zichtbaar en kan men op een zeer natuurlijke manier aanplanten. Nadeel van dit systeem is de kans op erosie van de taluds.

De voordelen van folievijvers:

  1. In verhouding tot voorgevormde en polyestervijvers zijn ze relatief goedkoop;
  2. Er zijn geen beperkingen in vorm en afmetingen.

De nadelen van folievijvers:

  1. PVC-folie is kwetsbaar. EPDM is dat heel wat minder;
  2. PVC-folie heeft een levensduur van slechts 10 à 15 jaar, EPDM heeft een levensduur van zowat 30 tot 50 jaar;
  3. Men kan moeilijk de plooien vermijden bij het plaatsen van folie;
  4. De folies ogen zeer onnatuurlijk. Een klein foutje en ze zijn zichtbaar.

3.1.3 Voorgevormde vijvers

Voorgevormde vijvers bestaan er in allerlei vormen en materialen. Hard PVC, polyethyleen en polyester. Deze vijvers zijn eerder beperkt in volume. Om dit op te lossen, heeft men in de handel systemen bestaande uit segmenten die men aan elkaar kan koppelen. Meestal zijn deze vijvers eerder ondiep en kan men de verschillende zones, zoals de oeverrand, moeraszone en diepe zone, moeilijk terugvinden.

Plaatsingsmodaliteiten:

Wij projecteren de omtrek op de bodem. We graven de put. Wij plaatsen de voorgevormde vijver, uiteraard perfect horizontaal. Daarna vullen wij de grond aan in verschillende lagen en verdichten die daarbij zo goed als mogelijk.

De voordelen van de voorgevormde vijver:

  1. Ze zijn ongevoelig voor perforaties;
  2. Ze zijn gemakkelijk te plaatsen.

De nadelen van voorgevormde vijvers:

  1. Ze zijn vrij duur;
  2. Ze zijn beperkt in omvang;
  3. De verschillende zones zijn niet aanwezig;
  4. Ze zijn te ondiep.

3.1.4 Betonnen vijvers

Betonnen vijvers zijn vrij robuust en vormen een moeilijk omkeerbare ingreep in het tuingebeuren. Men moet bij het gebruik van beton terdege rekening houden met de eigenschappen ervan. Beton kan veel druk opnemen, maar daartegenover geen trekspanning. Nemen wij als voorbeeld een cirkelvormige vijver. Als wij die vullen met water zullen de betonnen wanden als het ware uitgerokken worden. Dit kan niet! De enige oplossing is om het beton te wapenen met ijzer, dat wel de eigenschap heeft om grote trekspanningen op te nemen. Beton is op zichzelf dus een ongeschikt materiaal om een vijver te creëren. Gewapend beton is dat wel. Er bestaan trouwens veel verschillende betonsoorten. Gebruik een waterdichte betonsoort en let erop dat de betoncentrale een benorkeuring heeft. Dit laatste is een garantie voor de goede kwaliteit van uw leverancier.

Om waterdichtheid te verzekeren, moet de dikte van het beton minimum 25 cm zijn.

Bouwtechnisch zal men eerst de vloerplaat construeren en daarna de wanden. De voeg tussen deze twee is een zeer delicate plaats voor waterverlies. Daarom plaatst men in deze voeg verticaal een metalen plaat van ongeveer 20 cm en dit over de volledige omtrek van de vijver. Men kan ook gebruik maken van zogenaamde zwelbanden.

Let op! Het cement in het beton bevat veel kalk. Het beton zal derhalve een sterke invloed hebben op de waterhardheid. Vooraleer de vijver te bevolken, is het noodzakelijk om de vijver enkele malen te hervullen met water.

De voordelen van een betonnen vijver:

  1. Ondoordringbaar voor knaagdieren;
  2. Uitvoerbaar in alle mogelijke vormen en afmetingen.

De nadelen van een betonnen vijver:

  1. Is zeer moeilijk te verwijderen indien nodig;
  2. Aanpassingen zijn zeer moeilijk realiseerbaar;
  3. Vrij dure onderneming;
  4. De constructie is zeer gevoelig voor scheurvorming bij de minste constructiefout (waterverlies);
  5. De waterhardheid wordt sterk beïnvloed.

3.1.5 Polyestervijvers

Om een polyestervijver te creëren heeft men de volgende producten nodig: een draagstructuur, een primer, polyesterhars, peroxide, kobalt, glasvezelmatten en topcoatpolyester.

Hoe gaan wij te werk?

3.1.5.1 De draagstructuur

De ondergrond om onze polyesterstructuur op te bouwen kan van alles zijn:

  1. Een laag zandcement al dan niet gewapend met kippengaas;
  2. Een nieuwe of oude betonnen vijver (er mogen barsten in de betonnen vijver voorkomen);
  3. Oude tapijten, jute, papier, enz.;
  4. Oude folievijvers.

3.1.5.2 Primer

Op zuigende ondergronden plaatst men een primer G4 met een schapenvachtrol van ongeveer 18 cm breedte. Het is zeer belangrijk dat men daarna binnen de acht uur het polyesterhars aanbrengt, anders begint de primer te schuren. Daarom mag men per dag zoveel primer plaatsen als men in dezelfde dag kan polyesteren.

3.1.5.3 Polyesterhars

Op de primer brengt men een laag epoxyhars aan. Men plaatst op het epoxyhars één laag glasvezelmatten. De glasvezelmatten worden niet gesneden maar wel gescheurd. Op die manier zullen de vezels van de verschillende matten elkaar beter overlappen en is de wapening van de structuur veel efficiënter. Inderdaad, het zijn de glasvezels die de wapening van de structuur vormen.

Op deze matten brengt men een tweede laag epoxyhars aan. Men mag daarbij niet te zuinig zijn. Men mag ook niet schilderen, wel doppen.

Het is ontzettend belangrijk om deze laag te ontluchten met speciaal daarvoor ontworpen gereedschap.

Het hars bestaat uit drie componenten die intens met elkaar moeten vermengd worden. Wij hebben het hars, de verharder (methyl ethyl keton peroxide) en de versneller (kobalt). Twee ervan zijn meestal al voorgemengd bij de leverancier: het hars en de versneller. Per mengeling prepareert men ongeveer 2 kg hars onder toevoeging van 2 à 3 % verharder. Tijdens het mengen verandert de kleur van het hars van blauw naar groen. De verwerkingstijd van het hars bedraagt ongeveer 40 minuten bij een omgevingstemperatuur van 20 °C. Onmiddellijk na de eerste laag glasvezelmatten plaatst men een tweede laag, en dopt deze met hars. Ook de tweede laag wordt zorgvuldig ontlucht.

Het verbruik bedraagt:

  1. 2 lagen glasvezelmat van 300 gr/m²;
  2. 3 lagen polyesterhars van 300 gr/m².

Men werkt eerst de wanden van de vijver af, daarna pas de bodem van de vijver.

Let op: er bestaan verschillende kwaliteiten polyesterhars!

Merk op dat de matten iets hoger dan de oeverrand worden geplaatst. Eens het hars half uitgehard is, wordt de rand mooi afgesneden. Dit resulteert in een perfecte afwerking van de vijverrand.

3.1.5.4 Topcoating:

De topcoating mag gerust een dag later geplaatst worden dan het hars. De topcoating heeft drie belangrijke functies: het beschermen van de glasmat tegen rotting, het waterdicht maken van de vijver en het vormen van een esthetische afwerkinglaag.

Men schuurt licht het uitgeharde polyesterhars met schuurpapier korrel 40. Daarna brengt men met de schapenvachtrol een eerste laag topcoating aan. Op het moment dat de eerste laag kleverig wordt, brengt men de tweede laag aan.

De verwerkingstijd bedraagt ongeveer 250 gr/m². Het best plaatst men deze lagen in de avondschemering, niet in de felle zon. Het hars kan dan langzaam uitharden en dit voorkomt scheurvorming.

Men gebruikt ongeveer 2 à 5 % verharder, identiek als deze bij het epoxyhars. Men kan daarenboven de topcoating inkleuren met om het even welke kleur.

Na drie dagen mag men dan de vijver vullen met water.

De voordelen van een polyestervijver:

  1. De wanden zijn perfect glad;
  2. Er zijn geen beperkingen voor wat betreft vorm en afmetingen;
  3. Een lange levensduur;
  4. Beschadigingen zijn gemakkelijk te herstellen.

De nadelen van een polyestervijver:

  1. Ze zijn betrekkelijk duur;
  2. Het polyester hecht niet op polyethyleenbuizen;
  3. De plaatsing is vrij omslachtig en toch wel specialistenwerk.

3.2 Vijvers ingedeeld in functie van de inhoud

 

Vooraleer men start met de aanleg van een vijver moet men eerst goed nadenken over welke fauna en flora men uiteindelijk wenst te bereiken. Ieder levend wezen, hetzij planten of dieren, hebben hun specifieke eisen en men moet daar rekening mee houden.

3.2.1 Planten- en/of amfibievijver

Planten kunnen slechts goed groeien als het fotosyntheseproces optimaal functioneert. Eén van de vereisten is dat de plant zoveel mogelijk licht ontvangt. De meeste vissen behoren tot de familie van de karpers, die hun voedsel meestal zoeken op de bodem. Bij het woelen vertroebelt het water. Dit impliceert dat er minder licht de ondergedoken waterplanten bereikt, met als gevolg een minder optimaal functioneren van het fotosyntheseproces en aldus een minder optimale groei van de planten. Sommige vissen eten daarenboven planten. Conclusie: als men enkel een liefhebber is van vijverplanten, dan weert men best bepaalde vissen uit de vijver. Zeker de karperachtigen!!

De amfibieën daarentegen kunnen perfect gehuisvest worden in een plantenvijver. Het zijn allemaal rovers. Zij veroorzaken geen watertroebeling en lusten geen planten. Integendeel, de planten vormen perfecte schuilplaatsen en zij dienen ook als afzetsubstraat voor de eitjes. Sommige planten worden belaagd door kevertjes, rupsen, larven, enz. Al deze belagers zijn een voedselbron voor de amfibieën. In dat opzicht beschermen ze de planten.

Belangrijk voor de planten is dat men de verschillende zones van een vijver creëert (oeverrand, moeras, zone 60 cm en diepe zone). Iedere plant moet min of meer op de juiste diepte en plaats aangeplant worden.

Zorg er bovenal voor dat de planten een voedselrijke bodem krijgen. Dek de bodem af met grind, zodat de bodem niet kan worden doorwoeld. Het gebruik van beendermeel en bloedmeel is een zegen voor de planten. Planten met veel blad vragen meer voeding dan planten met weinig blad. Dit is logisch, maar hou daar toch rekening mee.

Noch een plantenvijver, noch een amfibievijver hebben behoefte aan een filterinstallatie. De planten zelf vormen immers de filter.

Hou er rekening mee dat sommige amfibieën enkel in het water vertoeven gedurende de paartijd en dat ze daarna terug aan land leven. De directe omgeving van de vijver is daarom zeer belangrijk. Een weelderige beplanting en enkele winterschuilplaatsen zijn noodzakelijk. Een winterschuilplaats is niets anders dan een plaats beschut tegen al te strenge vorst, regen en wind. Dit kan onder andere het volgende zijn:

  1. Kaphout op elkaar gestapeld;
  2. Een buis gevuld met stro onder de grond geplaatst met één toegangsmogelijkheid;
  3. Stenen op elkaar gestapeld met daartussen spleten en wat stro;
  4. Een iets grotere bloempot op zijn zijde half in de grond gegraven en gevuld met wat stro;
  5. Enkele dakpannen op elkaar gestapeld.

3.2.2 Visvijver

Als aquarianen hebben wij natuurlijk een onbegrensde interesse in vissen. Het zou dan ook zeer misplaatst zijn te propageren dat vissen niet thuishoren in onze vijvers. Alleen moet men er op letten dat men niet overdrijft. Teveel vissen betekent een zware belasting van het water. De concentratie aan nitraat stijgt snel. De bodem wordt teveel door-woeld. Planten worden aangevreten. Stilaan krijgen de algen de bovenhand.

Zorg er vooral voor dat men in een visvijver de diepe zone niet vergeet te creëren.

Het is goed als men in een visvijver zorgt voor watercirculatie. Beter nog: als men een borrelsteen installeert of men laat water via een beekstroom in de vijver arriveren, dan heeft dat water tijd om zuurstof op te nemen. Vissen houden van zuurstofrijk water. In de zomer kan dat soms een probleem zijn.

Planten zijn zeer efficiënt bij het laag houden van het nitraatgehalte en ze produceren overdag ook nog eens zuurstof.

Een juiste keuze van de vissoorten kan soms minder nefast zijn ten aanzien van planten. Laat ons eens de verschillende soorten bekijken met voor- en nadelen.

3.2.2.1 Goudvissen (Carassius auratus)

Goudvissen zijn karpers en aldus bodembewoners. Ze woelen in de bodem op zoek naar voedsel en eten ook plantaardig materiaal. Goudvissen hebben een nadelige invloed op de planten.

3.2.2.2 Goudkarper (Cyprinus carpio auratus)

De goudkarper is het grote broertje van de goudvis. Net zoals goudvissen zijn ze een minder goede keuze ten aanzien van planten. Gezien hun grootte vormen zij een nog veel grotere belasting van het biotoop.

3.2.2.3 Graskarper (Ctenopha-ryngodon idella)

Graskarpers worden in de handel dikwijls aangeraden in de bestrijding tegen algen. Het zijn inderdaad vissen die zich voeden met plantaardig materiaal. Ze beperken zich evenwel niet alleen tot algen. Integendeel, ze lusten heel graag de zachte blaadjes van hoornblad, waterpest, waterlelie, fonteinkruid, blaasjeskruid, enz. Bovendien worden deze dieren ontzaglijk groot. Ze verorberen enorme hoeveelheden, woelen veel in de bodem en produceren veel uitwerpselen. Volgens mij zijn ze een regelrechte afrader!

3.2.2.4 Blauwe Shubunkin (Carassius shubunkin)

Deze vis heeft ongelijke schubben op de huid, die transparant zijn en glinsteren in de zon. De overheersende kleur is blauw. Daarnaast hebben ze rode, zwarte, witte en zelfs gele vlekken. In tegenstelling tot de goudvis, waar hij qua vorm en grootte goed op gelijkt, is hij een scholenvis die voornamelijk aan de oppervlakte zwemt op zoek naar insecten. Shubunkin kan toegepast worden in een plantenvijver.

3.2.2.5 Komeetstaart (Carassius auratus ‘Sarasa Comet’)

De komeetstaart is zeer opvallend wit/rood gevlekt. Net zoals shubunkin bestaat zijn voedsel voornamelijk uit insecten en woelt hij nagenoeg niet in de bodem. Ook de komeetstaart is geschikt voor plantenvijvers.

3.2.2.6 Goudwinde (Leuciscus idus)

De goudwinde heeft een lang gestroomlijnd lichaam. Zijn rug is egaal oranje van kleur. Het is een zeer snelle zwemmer. Soms maakt hij op jacht naar insecten, wel sprongen tot 30 cm boven het water. Het is een echte jager. De bodem maakt geen deel uit van zijn jachtterrein. Planten lust hij niet. In dat opzicht is hij wellicht de meest aangewezen vis voor uw plantenvijver. Nadeel is evenwel zijn roofzucht. Dat resulteert in het vangen van jongbroed, salamanders en hun larven, de larven van bruine en groene kikkers.

3.2.2.7 Bittervoorn (Rhodeus sericeus amarus)

Bittervoorns zijn 6-9 cm groot. Ze behoren tot de familie van de karpers. Gezien hun kleine afmetingen berokkenen ze weinig schade aan het plantenbestand in uw vijver.

Interessant zijn het kuit schieten en de broedzorg. Het wijfje legt namelijk haar eitjes met behulp van een lange legbuis in de zwanenmossel. Het mannetje zwemt in de buurt en giet als het ware zijn gom over de mossel. Via het ademhalingsorgaan wordt de gom opgenomen in de zwanenmossel en worden de eitjes bevrucht. 3 à 4 weken blijven de larven in de mossel. Ze worden daarbij voorzien van zuurstof via het ademhalingsorgaan van de mossel. Als jonge visjes verlaten zij tenslotte de beschermende schelp van de mossel.

3.2.2.8 Gouden rietvoorn (Rutilus rutilus auratus)

De goudrietvoorn heeft een rode rug en rode vinnen. Het is een oppervlaktezwemmer, die in scholen leeft. Ze behoren ook tot de familie van de karpers. Negatief is dat ze blijkbaar graag fonteinkruid eten. Ze zijn evenwel klein en veroorzaken aldus geen al te grote schade aan de planten.

3.2.2.9 Elrits (Phoxinus phoxinus)

De elrits leeft in scholen. Hij wordt ongeveer 5 à 10 cm groot. Het is een visje dat voornamelijk aan de oppervlakte zwemt op zoek naar insecten. Het is hoofdzakelijk oranje van kleur. Het is zeer geschikt voor een plantenvijver.

3.2.2.10 Steur (Acipenser guldenstaedti)

De steur is naar mijn persoonlijke mening totaal ongeschikt voor onze vijvers. Vooreerst leeft hij op de bodem op zoek naar prooidieren. We zien hem aldus weinig. Hij vertroebelt door zijn activiteit op de bodem het vijverwater. Soms sukkelt hij vast tussen de planten en kan hij als gevolg daarvan verdrinken. Achterwaarts zwemmen kan de steur niet. Hij kan zich bijgevolg niet loszwemmen, en hierdoor stikken. Een steur mag namelijk nooit stilliggen, aangezien hij – net zoals bij de haaien – ademt door zich voorwaarts te bewegen en het water (zuurstof!) op die manier door de kieuwen te jagen. Een volwassen steur wordt in de natuur gemakkelijk enkele meters groot.

Een kleine vijver is dus nooit de ideale huisvesting.

3.2.2.11 Zeelt (Tinca tinca auratus)

De zeelt is een prachtige vis. Zowel de kleur (goudgeel, groenachtig) als de vorm zijn schitterend. Nadeel is dat we opnieuw te maken hebben met een bodembewonende karper. We zien hem dus nagenoeg nooit en hij vertroebelt het water. In een plantenvijver hoort hij zodoende niet thuis.

Onze vissen hebben ook natuurlijke vijanden.

Felgekleurde vissen zijn een ideale prooi voor de reiger. ’s Morgens vroeg komt deze meestal op bezoek. Nog voor wij uit ons bed zijn, is de rooftocht al voltooid. Wat kan hiertegen gedaan worden? Een kunstreiger? Neen, dat heeft hij zo door. Heel efficiënt is het gebruik van enkele nagenoeg onzichtbare visdraden gespannen over en rond de vijver. De reiger is zelf prooi van roofvogels en dat weet hij heel goed. Plaats daarom een kunstroofvogel in de nabije omgeving van uw vijver en dat zal hem meer afschrikken dan zijn eigen silhouet.

3.2.3 Koivijver

Bewust heb ik in het hoofdstuk visvijvers niet gesproken over koi. Zij vormen een heel aparte tak binnen het vijvergebeuren. Stuk voor stuk zijn de Japanse koi indrukwekkende verschijningen. Hun grootte, hun vorm en hun kleuren laten tot de verbeelding spreken. En toch ben ik verplicht een waarschuwende vinger op te steken. Als je met de idee rondloopt om een koivijver in te richten, weet dan goed waaraan je begint. Koi vragen een perfecte verzorging in een degelijk uitgebouwde vijver.

Echte koiliefhebbers zijn fanatiekelingen die bij momenten hun vrouw op de tweede plaats zouden zetten na hun vissen. Ik bedoel dit echt niet negatief, maar ik wil u duidelijk maken dat deze liefhebberij als het ware een levensstijl omvat.

Het houden van koi is overgewaaid uit Japan waar het een bijzonder populaire hobby is. Geen enkel land ter wereld kan de kwaliteit van de Japanse koi evenaren. In Singapore, Israël wordt ook gekweekt maar met minder goede resultaten. Vooral de intense kleuren vindt men enkel in Japan.

Bij de keuze van de vissen is het heel belangrijk om op de hoogte te zijn van de gangbare kleurpatronen. Ieder kleurpatroon heeft zijn eigen naam. Hoe beter een bepaald dier een bepaald kleurpatroon benadert en hoe zuiverder de kleuren zijn, hoe beter de kwaliteit van het dier is. Het prijskaartje zal in evenredigheid aangepast worden. Of een vis dan ook mooier is, is zeer subjectief. Eén iets is zeker: een vis die perfect beantwoordt aan de eisen qua kleurpatroon en zuiverheid van kleuren is inderdaad een prachtdier. Het is wel zeer de vraag of alle overige vissen met kleine afwijkingen dan niet mooi zijn. Persoonlijk maak ik graag een onderscheid tussen Japanse en Israëlische koi. Hoe kiest men een koi? Als leek is het ontzettend moeilijk om van een jong dier te voorspellen of hij in volwassen toestand perfect zal zijn. Men kan dit omzeilen door meteen een volwassen exemplaar te kiezen. Het prijskaartje zal ook hier weer navenant zijn. De aankoop van jonge dieren moet voornamelijk een vertrouwenskwestie zijn met uw winkelier. Houd er terdege rekening mee dat het kleurpatroon van de jonge dieren tijdens de groei nog veel kan veranderen!

Wat met de huisvesting voor deze dieren?

Bij de kweek heeft men voornamelijk oog voor de kleur, het kleurenpatroon en de vorm. Men is absoluut niet bang om het beoogde resultaat te behalen via inteelt. Dergelijke dieren zijn in de vrije natuur zwakker en hebben meestal geen kans om te overleven. Een perfecte verzorging en een optimale installatie dringen zich dan ook op.

De vijver zelf is meestal gemaakt in polyester, omdat daarin geen plooien zijn zoals bij een folievijver. Tussen de plooien verzamelt zich vuil en dat is niet goed in functie van het nitraatgehalte en de helderheid van het water. Immers, de vissen doen dit vuil opdwarrelen. Een koivijver moet minstens 1,5 à 2 meter diep zijn. Twee redenen:

  1. De temperatuurschommelingen dag/nacht en winter/zomer zijn kleiner.
  2. De juiste vormontwikkeling van de vis kan men slechts krijgen bij dergelijke dieptes.

De bodem van de vijver wordt in verschillende trechtervormen uitgevoerd. Op de bodem van iedere trechter zit een bottomdrain. Deze bottomdrains staan via afvoerleidingen in verbinding met de filters. Zo’n bottomdrain is niets anders dan een overdekt afvoerpunt.

De filter is opgebouwd uit verschillende compartimenten. Het eerste is de vortex. Dit is een cycloon. Het water stroomt er binnen rakelings aan de zijwand. Op die manier ontstaat een roterende stroming waardoor het afval naar beneden gezogen wordt. Dagelijks wordt via een afvoerkraan onderaan de cycloon een gedeelte water en meteen ook het verzamelde afval afgevoerd naar de riolering. De volgende compartimenten van de filter bevatten substraten waarop zich aërobe bacteriën kunnen huisvesten. Men kan ook nog een gedeelte substraten inbouwen die zorgen voor een chemische filtering. Twee voorbeelden daarvan zijn zeoliet en actieve kool. Ze binden nitriet en ammoniak. Naast borstels kan men ook nog kleine plastieken vormpjes of zelfs gekalibreerde keien gebruiken.

Naast deze combinatie van biologische en mechanische filter, kan men verder nog gebruik maken van een regendrupfilter. Dit is een zuiver biologisch procédé. Het water valt door verschillende bakken gevuld met vijversubstraat. Op dit substraat nestelen zich de bacteriën. De directe werkomgeving van de bacteriën is zeer zuurstofrijk. Het is wel duidelijk dat de waterstroom slechts kortstondig mag onderbroken worden, anders wordt de volledige bacteriëncultuur vernietigd.

Mocht blijken dat een combinatie van de twee beschreven filtersystemen niet voldoende is om alle afval te verwijderen, dan kan men nog gebruik maken van een UV-lamp. Immers de volledige biologische filtering is gebaseerd op het zo snel mogelijk omzetten van afval tot nitraat. Dat nitraat kan slechts verwijderd worden via waterverversing. Gezien koilief-hebbers hun vissen optimaal wielen kunnen observeren en zij meestal planten liever kwijt dan rijk zijn, moeten wij ook niet rekenen op de opname van nitraten via planten. Overigens lusten onze koi zeer graag planten. Ons plantenbestand zal op korte termijn aangetast worden. Indien er toch nitraat in het water is, dan kan men een explosie krijgen van zweefalgen. Een UV-lamp vernietigt alle zweefalgen. Nadeel is dat een UV-lamp ook alle goede organismen doodt. Daarom is het verstandig om de UV-lamp slechts te gebruiken als dat nodig is en om in dat geval slechts een gedeelte van het water door de lamp te sturen.

Men kan ook gebruik maken van een zandfilter. Het water wordt verticaal door een kolom gestuurd, gevuld met gekalibreerd zand (= zand van gelijke korrelgrootte). De waterstroming is net zo hard tot het zand in een wervelende beweging blijft tollen. Het zand doet dienst als huisvesting voor de bacteriën. De dode bacteriën worden onmiddellijk weggespoeld. We hebben ook hier te maken met een biologische reiniging.

Wij kunnen nog verder gaan. In de winter is het optimaal om de temperatuur niet te laten zakken onder de 8 °C. Daarom installeren sommige liefhebbers een verwarmingsinstallatie.

Omgekeerd kunnen de felle zonnestralen in de zomer de gevoelige slijmhuid van de vissen beschadigen. Een zonnewering kan daarom heel interessant zijn.

Als men al deze inspanningen niet wenst te ondernemen, kan men dan geen koi houden? Ik denk van wel!

Het fundamenteel probleem is dat koi grote karpers zijn die veel afval produceren (met als gevolg veel nitraat), die veel woelen in de bodem en die bovenal graag planten eten. Wij kunnen de betrekkelijk dure installatie zoals hierboven vermijden door het creëren van twee vijvers die met elkaar in verbinding staan:

De vijver waar de koi in vertoeven.

Deze vijver moet minstens 1,5 à 2 meter diep zijn. Daarnaast bouwen wij een tweede vijver nog groter dan de eerste, die rijkelijk beplant wordt. In deze vijver zitten geen vissen. Het water uit de eerste vijver wordt in de tweede vijver gepompt. Daarna loopt het van de tweede vijver terug in de eerste. De rijkelijk beplante vijver is niets anders dan een natuurlijke filter. De planten doen dienst als huisvesting voor de bacteriën en ze nemen het geproduceerde nitraat op als meststof. Deze vijvercreatie zal zeker functioneren. Het enige probleem dat er blijft, is dat er zich na enkele jaren een sliblaag vormt op de bodem, die gemakkelijk kan opdwarrelen door de activiteit van de koi.

3.2.4 Minivijver

Sommige mensen hebben slechts een zeer kleine tuin of wonen op een appartement met een terras. Ook in die omstandigheden kan men nog een kleine waterpartij creëren. Een wijnton, een schaal, een oude badkuip, een pot en ga zo maar door. Van al deze attributen kan men een kleine waterpartij maken. Het best opteert men voor een plantenvijvertje. Daarbij maakt men gebruik van mandjes waarin men een laagje jute aanbrengt om de grond tegen te houden. Men koopt in de handel kant en klare vijvergrond om de mand op te vullen. Het best kiest men planten die niet zo fel groeien. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om een gele plomp aan te planten. Er bestaan tal van dwergwaterlelies. Men kan ook gebruik maken van moerasvergeet-mij-nietje, waterdrieblad, watergentiaan, fonteinkruid, lidsteng, enz.

Kleine biotopen vragen over het algemeen meer onderhoud. Het is dan wel een kleine inspanning om het minivijvertje eens grondig te reinigen, de vijvergrond eens te vernieuwen en de planten eens vlugger te splitsen als deze te groot worden.

Men kan er gerust enkele visjes in plaatsen. Het liefst gebruikt men kleine visjes, zoals bijvoorbeeld elrits. Amfibieën zullen moeilijk blijven. Let wel op in de winter! Het minivijvertje kan scheuren onder de vorst en noch de dieren, noch de planten kunnen overleven in het ijs. Neem dan ook de nodige voorzorgsmaatregelen gedurende langere vorstperiodes. Afscherming door middel van noppenfolie, waarin men de ganse minivijver wikkelt, blijkt hier een afdoende oplossing.

3.2.5 Zwemvijver

Een nieuwe tendens is ongetwijfeld de vraag naar zwemvijvers. Dit is een combinatie van een zwembad en een vijver. Vroeger was het heel gewoon dat mensen in de vrije natuur een duik in het water namen. Tegenwoordig hebben wij het ons zelf zeer moeilijk gemaakt door de aanhoudende pollutie.

We kunnen het principe van een zwemvijver een beetje vergelijken met een koivijver. De uitgebreide installatie van een koivijver leunt nauw aan bij de principes van een zwembad. Het principe van de dubbele vijver correspondeert met dat van een zwemvijver. Een zwemvijver moet voldoende diep en voldoende groot zijn. Het is vooral belangrijk dat men een grote moeraszone voorziet die dienst doet als filter. Het heeft weinig zin om planten aan te brengen in het zwemgedeelte. De planten zullen hinderlijk zijn bij het zwemmen. Omgekeerd zullen de planten niet tegen de zwemactiviteit van de mens kunnen. Waterlelies bijvoorbeeld kunnen niet tegen opspattend water. Men kan in een zwemvijver ook gebruik maken van mechanische filtersystemen en/of van een UV-lamp. Zorg ervoor dat de UV-lamp goed is afgeschermd, want de stralingen zijn ook giftig voor de mens!

3.2.6 De formele vijver

Deze aanduiding verwijst naar de formele vorm van de vijver. Elk vooraf beschreven vijvertype kan formeel uitgevoerd worden. Men maakt de vijver vierkant, balkvormig, cirkelvormig, enz. Als men opteert voor een formele vijver dan is dat omdat de vormgeving primeert en opgenomen wordt in het totaal concept van de tuin. Men maakt als het ware bewust een contrast tussen het natuurlijke van de planten, de vissen, de amfibieën en de geometrische vorm van de vijver. Daartegenover staan de vijvers met willekeurige organische vormen.

Terug

© VZW skalaar